Familieverhalen - BremerMisjpoge

Ga naar de inhoud

Harry Bremer, alias Harry Doornspeek, ondergedoken in Tegelen.

BremerMisjpoge
Published by in persoonlijkeverhalen · 1 mei 2014
Tags: Nederlands

Harry Bremer werd geboren op 7 feb, 1932 te Amsterdam, zijn ouders waren van Joodse afkomst .... ,,In 1939 tijdens de mobilisatie-tijd begonnen de geruchten over jodenhaat tot ons door te dringen. Ik was op dat moment 7 jaar en zat nog op de lagere school. Wij woonden in de Marco Polostraat 202 in Amsterdam. Mijn Vader moest in militaire dienst. Op 10 mei 1940 werd Nederland overrompeld door de Duitse troepen en ik zie nog de zwevende parachutisten voor me tijdens de verovering van Schiphol. Mijn ouders en grootouders, die bij ons in de buurt woonden, waren in paniek. Het drong nog niet goed tot me door waarom. Bij ons aan de muur hing een kaart, waarop mijn ouders nauwgezet bijhielden welke landen in Europa reeds door de Duitsers waren veroverd. In 1941 was ik negen jaar, we woonden nog steeds onder redelijke omstandigheden."
De Duitsers hadden zich tegenover de joden in het Westen nog redelijk gedragen, dit in tegenstelling tot hun gedrag in Oost-Europa waar het moorden reeds in Volle gang was gezet. Het proces van ontering, dat de Duitse Joden in 7 jaar tijd hadden doorlopen, moesten de Nederlandse joden in een jaar ondergaan.
,,Vanaf 1942 was het voor ons verboden in trams en andere openbare gelegenheden te komen. Vanaf 29 april 1942 waren wij verplicht om de jodenster te dragen. Vaak deed ik de jodenster stiekem af want dan mocht ik wel overal naar binnen. Mijn ouders, die bang waren voor represailles van de Duitsers, Verzochten mij de gewraakte ster niet meer af te doen. In oktober 1942 toen ik thuis kwam, hoorde ik dat mijn vader was opgepakt toen hij op weg was van zijn werk naar ons huis. Iedereen was uiteraard in paniek. Mijn moeder vroeg zich af hoe we moesten overleven, want we hadden geen bron van inkomsten meer. Als kind leerde ik echter al heel snel met dergelijke spanningen omgaan. Uiteraard was iedereen in onze omgeving bang. Mijn broer Rob was 14 jaar en was halfjoods, hij was een kind uit het eerste huwelijk van mijn moeder. Hij hoefde daarom geen ster te dragen. Met hem ging ik overal naar toe, we gingen stelen om aan eten te komen. Mijn twee zusjes Lies en Hermien bleven thuis bij moeder, die zich dodelijk ongerust maakte dat wij niet meer thuis zouden komen. In maart 1943 wilde mijn moeder zich, onder druk van de omstandigheden, bij de Duitsers aangeven. Zij wilde zich herenigen met mijn Vader, die in het kamp Westerbork zou zijn. Mijn broer liep thuis weg. Ik heb hem tot na de bevrijding niet meer gezien. Mijn zusjes en ik werden naar een tante in Amsterdam gebracht. Zij was niet-joods en daarom was het bij haar niet zo gevaarlijk. We moesten echter wel naar een aparte joodse school. Mijn tante kreeg voor ons geen extra bonnen of voedsel en moest maar zien hoe ze ons in leven hield. lk moest weer gaan stelen om aan voedsel te komen. In juli 1943 werden mijn zusjes en ik bij onze tante door de Grüne Polizei opgehaald. Iemand uit de buurt had verraden, dat wij toch te eten hadden zonder bonnen en geld. We werden overgebracht naar de Hollandsche Schouwburg aan de Plantage Middenlaan."
Vanaf oktober 1942 diende de Schouwburg en een tegenover gelegen gebouw naast de Hervormde Kweekschool als verzamelplaats voor de in Amsterdam gearresteerde joodse mannen, vrouwen en kinderen. Hier moesten zij wachten tot zij op transport gingen naar kamp Westerbork.
,,Iedere dag moesten we in de rij gaan staan en dan werden de ongelukkigen aangewezen om op transport te gaan. Zij die gingen, zag je vrijwel zeker niet meer terug. We werden vaak zonder reden geschopt of geslagen. De Duitsers vonden leuke ‘spelletjes’ uit om je pijn te doen, zowel geestelijk alsook lichamelijk. In september 1943 tijdens een van de schaarse wandelingen buiten de schouwburg kwam er een iemand in een Duits uniform naar me toe en zei in het Nederlands:,, Morgen ga je met mij mee, niet naar Duitsland, maar je gaat onderduiken." ,,Eerst mijn zusjes, anders ga ik niet" antwoordde ik.
Op 10 september ‘s middags werd ik met nog een paar kinderen door enkele ‘ Duitsers’ opgehaald voor transport. Mijn zusjes waren ‘s morgens al meegenomen. Ik vroeg niet waar ze gingen onderduiken, men zou het me ook niet verteld hebben. Op station Muiderpoort werd ik aan iemand overgedragen die mij mee naar huis nam. Hij gaf me eten, schone kleren, stopte mij in bad en liet me slapen.
Hij vertelde mij dat we de dag erna gingen reizen, Ik moest maar vast een andere naam bedenken. De naam die ik bedacht was Harry Doornspeek uit Rotterdam. Een van mijn buren in Amsterdam heette destijds zo, het was een NSB-er. Het hebben van een nieuwe achternaam, vergde veel concentratie van mij. Op 11 september kwam ik na vele omzwervingen en steeds weer nieuwe begeleiders in de namiddag op een klein stationnetje met een kolenopslagplaats ernaast aan. Ik bleek in Tegelen te zijn. Ik werd door iemand naar de familie Gommans op de Kaldenkerkerweg nr. 30 gebracht. De familie had van het verzet en van de geestelijkheid het verzoek gekregen om een kind op te nemen. Zonder lang na te denken willigde de familie het verzoek in. De familie Gommans bestond uit: man, vrouw en vier kinderen. De jongste was 21 jaar en de oudste waarschijnlijk achter in de dertig. De oudste was ook ondergedoken, zoals later bleek, in Broekhuizen. Hij was beroepsmilitair geweest en had zich moeten melden, hij had dit niet gedaan en was vervolgens ondergedoken. De familie was erg vroom Katholiek, zoals de meeste mensen in Tegelen. De geestelijkheid regeerde en vertelde hoe het moest. In eerste instantie dacht ik dat al die heiligenbeelden allemaal familieleden waren. Na een paar dagen moest ik naar de St. Aloisyusschool. Voor de leerlingen op deze school was ik een wezen van buitenaf zeker wat de taal betrof. Nederlands spreken was toen iets heel aparts.
De meester heette Keunen hij woonde in de Broeklaan nr. lO. Hij vertelde de kinderen dat ik een kleinzoon van de familie Gommans was en in Tegelen was om aan te sterken. Om nog minder op te vallen, ging ik deel uit maken van het zangkoor. Zingen kon ik niet, dus hoefde ik alleen op de blaasbalg te trappen. Tijdens kerkdiensten kon ik natuurlijk niet de communie gaan. Ik ging dan mee naar voren en moest mijn mond dichthouden. De kapelaan deed dan net alsof hij mij de hostie in de mond stak. Ik had het niet meer van ellende. Het was allemaal zo vreemd hier in Tegelen. In gedachten was ik steeds bij de rest van mijn familie. Wat zou er van hun terechtgekomen zijn? Tijdens de razzia’s die ook in Tegelen gehouden werden, was ik niet zo zeer bezorgd om mijzelf maar meer in het bijzonder voor de familie Gommans. Wat zou er met hen gebeuren als ik opgepakt zou worden? Maar toch voelde ik mij in Tegelen een stuk veiliger dan in Amsterdam, vooral omdat de zware last van het dragen van een opvallende jodenster van mij af gevallen was.
Kerstmis 1943 zal ik nooit meer vergeten De nachtmis was om vier uur, om zeven uur een ‘herdersmis’ en ‘s avonds weer naar de kerk voor het lof en vesper. Voor iemand met een andere religieuze achtergrond zoals ik, was dit bijzonder vreemd. Eind 1944 kwamen de razzia’s op gang. Jonge mannen werden op transport gesteld voor de arbeidsinzet in Duitsland. De aanwezigheid van de vele Duitsers in Tegelen was voor mij geen probleem. Ik ging vaker in de buurt van de Duitsers spelen en vaak kreeg ik van de kok wat eten mee naar huis. De bombardementen op de Maasbruggen maakte ik bewust mee. Ik was er niet bang voor. De familie Gommans moest me telkens weer in de kelder stoppen. Het verblijf in de kelder ervoer ik als niet plezierig, want ik wilde ruimte om me heen hebben. Een zekere Karl van de Wehrmacht kwam vaker bij ons thuis. Hij scheen niets in de gaten te hebben. Hij had meer interesse voor de dochter van de familie Gommans. Eind 1944 komt ook iemand van de familie Gommans uit Helden onderduiken_ Hij was bij een razzia opgepakt, op transport naar Duitsland gezet en had een geslaagde ontsnappingspoging ondernomen. Ik herinner me dat ik vaker eten moest halen bij de Centrale keuken achter het ziekenhuis. Ik liep dan een beetje mank en mocht dan vooraan gaan staan. Bij ernstige granaatbeschietingen gingen wij vaker onderduiken in de ovens van Teeuwen. Hiervan kan ik me nog maar weinig herinneren. Op 1 maart maakte ik de bevrijding van Tegelen mee, Ik zag de Amerikanen vanuit Duitse richting de Kaldenkerkerweg afkomen. Bij het zien van de bevrijders, was ik niet zo enthousiast als anderen. Ik was net dertien jaar geworden en ik miste mijn familie erg. Ik voelde mij wel vrij maar niet zo uitbundig als de anderen. Mijn eerste vraag was; ,, Komen mijn familieleden ook terug'?" Achteraf bleek van niet. Slechts enkele keerden terug. Van de 20 directe familieleden hadden niet meer dan 5 personen, min of meer psychisch beschadigd, de oorlog overleefd.
In 1945 ben ik liftend naar een tante en een oom die was ondergedoken in Amsterdam gegaan. Ik informeerde naar mijn familieleden. Op dat moment wisten zij nog niets. Pas een halfjaar later keerde een oom van mij gedeeltelijk invalide terug uit een van de concentratiekampen. Hij is naderhand naar Israël gegaan. Mijn ouders waren waarschijnlijk resp. 34 en 35 jaar toen ze werden vermoord. Moeder scheen in Ravensbruck omgekomen te zijn en van mijn vader was het niet bekend. Gelukkig hadden mijn twee zusjes de oorlog overleeft, ze waren ondergedoken geweest in het zuiden van Limburg. In de omgeving waar ze waren ondergedoken waren de razzia’s op joden veel feller dan in Tegelen. Een zus heeft wel twaalf verschillende onderduikadressen in ander halfjaar gehad. De andere zus nog meer, ze heeft nog steeds psychische problemen daarvan. Na de oorlog ben mijn hele leven zoekende geweest. Pas na 55 jaar heb ik mijn oude woonbuurt weer bezocht. De herinneringen doemen steeds weer op, ze staan onuitwisbaar in mijn geheugen gegrift."

[Red. De ouders van Harry, Heiman Bremer en Elisabeth Tokkie zijn beiden met het transport van 18 mei 1943 vanuit Westerbork naar Sobibor gebracht. Vrijwel direct na aankomst zijn zij op 31 mei 1943 vermoord.]







Terug naar de inhoud