Familieverhalen - BremerMisjpoge

Ga naar de inhoud

Niets is nieuw en alles is nieuw.

BremerMisjpoge
Published by in persoonlijkeverhalen · 7 april 2014

Ik ben zenuwachtig. Ik heb al drie outfits uit de kast gehaald en afgekeurd, Uiteindelijk kies ik een zwart-rood gebloemde jurk op een zwarte broek en een zwart vestje.
Netjes, afkledend en toch eigen.
Mijn dochter komt kijken: 'mam, maak je niet druk, je bent goed zoals je bent.'
'Je bent goed zoals je bent' echoot het in me. Daar gaat het allemaal om.

Vanavond heb ik een gesprek met de rabbijn van de liberaal Joodse gemeente in Den Haag. Zij woont tegen Scheveningen aan, waar ik ben opgegroeid.
Als dochter van Simon en Antonia, een Joodse man en een katholieke vrouw.
Al vanaf heel jong heb ik het gevoel ‘anders’ te zijn, in ieder geval niet ‘Nederlands’.
Er waren andere verhalen bij ons thuis. Er was niet veel familie. Wij hadden ander haar, waren dikker. We gingen niet naar de kerk.
We hadden geen opa en oma, geen ooms en tantes, geen neven of nichtjes.
Nooit besproken, nooit genoemd - maar altijd zo voelbaar aanwezig.
We aten andere dingen: gallebrood, pekelzuur, pekelvlees, kippensoep, boterkoek. Sommige zaken mochten het huis niet in, zoals de garnalen die mijn moeder wel lekker vond. Met kerstmis stonden de kaarsen in ‘het chanoeka – ijzer’ te branden naast de kerstboom. Soms zong mijn vader vreemde liederen en vertelde hoe hij vroeger op vrijdagmiddag boterkoek rondbracht. Zijn vader was bakker geweest in Rotterdam.
Mijn vader kon nooit lang deze verhalen vertellen, hij zweeg en kreeg tranen in zijn ogen. Mijn moeder ging dan de tafel afruimen en vroeg of we kwamen helpen.

De rabbijn stelt me gelijk op mijn gemak. Vriendelijk nodigt ze ons, mijn partner is mee, uit in haar kamer. Boeken van wand tot wand en foto's. "Wie ben je" vraagt ze me, "en wat brengt je hier?". Ik vertel dat ik de dochter van mijn vader ben. Dat hij altijd zijn familie heeft gemist maar er niet over kon praten, laat staan huilen. Dat hij ontzettend zijn best heeft gedaan om overnieuw te beginnen, maar dat het hem niet gelukt is.
Hij is ziek geworden toen ik 7 was en vier jaar later gestorven.  
De dag na zijn overlijden stond een bericht in de krant: "Oud verzetsstrijder Simon Bremer overleden.". We lazen dat mijn vader in de oorlog ruim 200 kinderen had gered, door ze vanuit het westen naar andere delen van het land te brengen om ze te laten onderduiken.


De rabbijn draagt een grote chaai als ketting, de Joodse letter die staat voor 'leven'.
Op mijn eerste verjaardag na het overlijden van mijn vader heb ik een gouden davidsster gekregen, een ‘mokemedovid’. Die draag ik sindsdien altijd. Door deze ster laat ik zien waar ik van afkomstig ben. Het is de verbinding met mijn vader en met het Joodse volk. Ik voel me verbonden met hen, ben er trots op dat ik de ster draag.
Maar….. ik ben geen Jood.
‘Alleen’ mijn vader was Joods en mijn grootouders, mijn ooms en tantes, hun kinderen. Maar ik dus niet.
Hoewel het altijd wel zo voelde.
Op de protestantse lagere school. Op de christelijke middelbare school. Op de christelijke hogeschool. Altijd voelde ik dat ik uit een andere achtergrond kom.
Altijd voelde ik me ‘anders’.

"Vanwaar deze stap nu?"
Ja waarom nu. Omdat ik altijd dacht dat het niet kon. Altijd me Joods gevoeld en mijn eigen weg gezocht, maar volgens de wet …..
Op een of andere manier is een oordeel geïnternaliseerd in mij.
Waardoor? Misschien omdat er thuis op die manier over gesproken werd.
‘Wij zijn niet Joods, alleen papa was Joods.'
De grootste klap kwam in 1986. Ik was uitgenodigd door vrienden voor hun babyblessing in de liberale synagoge in Den Haag. Overweldigend vond ik het om daar te zitten in die banken. Het licht door de ramen. Het geroezemoes. Het zingen.
Ik was geëmotioneerd, een bewogenheid waarin vreugde, gemis en verlangen samen kwamen. Na afloop was er koffie. Ik ging aan een tafel zitten en werd al snel weggestuurd door 2 dames omdat het hun plek was. Aan een andere tafel raakte ik in gesprek met een vrouw. Zij vroeg naar mijn naam, ik noemde die en zij begon te vragen of ik die en die en die kende. Nee, kende ik niet. Toen wilde zij weten ‘van wie ik er een was’ en ik vertelde haar dat mijn vader Joods was.
‘O, maar dan ben je helemaal niet Joods’ was het antwoord.
Ja, daar had ze gelijk in. En ik was uitgepraat.

"Je zou ze toch, zulke mensen. Hoe zijn jullie verder gegaan?"
In 1992 zijn we getrouwd. In ons leven hebben we geprobeerd rond belangrijke gebeurtenissen Joodse gebruiken op onze manier een plek te geven. Tijdens ons trouwfeest stonden wij onder een overspanning, mijn broer heeft een glas neergelegd en mijn net – echtgenoot heeft het stukgetrapt. Iedereen riep ‘mazzeltov’ en de 9 man sterke klezmerband begon te spelen.
We hebben een mezoeza aan onze deurpost gehangen'. Het is een mooi gevoel je huis en de mensen erin beschermd te weten door G’d. Onze kinderen hebben we Joodse namen gegeven. Geen ‘familienamen’ – die voelen te beladen. maar wel Joodse namen. Mijn boodschap aan de wereld: ‘we zijn er nog’.
Op onze eigen manier vieren we sjabbat op vrijdagavond. Ik steek de kaarsen aan en we zeggen de zegeningen over de wijn en het brood. Het is onze manier om het weekend samen te beginnen.
In mijn familie ben ik de enige die werkelijk deze dingen doet. Overal staan chanoeka – ijzers, men is beladen met sterren en thorarollen in goud, bomen zijn in Israel gepland – maar niemand doet er iets mee. Dat wilde ik anders.
Van binnen uit voelde ik het verlangen en ik heb het steeds meer gevolgd.
Het boek van Chaim Potok: Davita’s harp, spreekt me aan. Een meisje, een jonge vrouw die tegen oude regels in haar eigen hart volgt, sterk verbonden met zichzelf en haar afkomst gaat ze voor wat zij wil. Ik herken dit.
Elke stap die ik zet komt van binnenuit. Elke stap heeft zijn eigen moment en eigen nut.

Najaar 2009 voelde ik heel duidelijk dat ik mee wilde op de reis naar Polen, georganiseerd door het Auschwitz comite.
De namen te noemen van mijn familie op de plek waar ze vermoord zijn was zo indrukwekkend en goed. Deze reis gaf me nog iets ongekends. Ik voelde me thuis bij een aantal Joodse deelnemers. Ik voel me niet snel thuis in een groep. Natuurlijk, mijn gevoelens zaten in een snelkookpan, het was zo indrukwekkend. En: ik voelde me thuis komen. Verbonden. Energiek. Open. Kwetsbaar. Rijk. Levend. Blij. Niets hoeven uitleggen. Gewoon. Vol gevoel.
Na de reis is het verder gegaan. Door te praten met de nieuwe vriendinnen herkende ik steeds meer mijn verlangen. Verlangen om ‘me thuis te voelen’. Om me te verbinden met. Om te gaan staan voor.


Ik ben met de rabbijn die mee was op de reis, gaan praten.
Voorzichtig heb ik hem de vraag gesteld of ik 'Joods kan worden'.
Natuurlijk kan ik Joods worden! Er is een vaste route voor kinderen van Joodse vaders. Bevestigd worden heet dat. Ik ben het gaan doen. Motivatiebrief schrijven, gesprek met een andere rabbijn, twee jaren Joodse Basis Kursus inclusief veel lezen, lernen en werkstukken maken. Elk jaar evalueren. Naar de synagoge gaan. Joodse mensen leren kennen, bekend raken met de liberale gemeente. Het voelt werkelijk als thuis komen.

"Maar vertel me eens, wat verandert dit 'papiertje' eraan?"
Zaterdagochtend in de synagoge, in sjoel word ik gevoed. Ik voel me geaard en verbonden met iets wat groter is. Een oude man wordt opgeroepen om te lezen uit de Tora. Indrukwekkend loopt hij naar de verhoging en zegt de bracha, de zegespreuk. Hem te zien en te horen raakt me diep, zo vanzelfsprekend staat hij daar. Het haalt het diepste verlangen in mij naar boven: gewoon Joods te zijn. Mijn keuze maakt me levend en door mij gaat de lijn van mijn voorouders weer leven.  'Leven' ook in overdrachtelijke zin: bewust Joods zijn, deel uitmaken van ons volk, verbinding voelen met, verantwoordelijk voelen, contact aangaan. Vroeger voelde ik achter mijzelf altijd een zwaar brok geschiedenis, een groot niet te bevatten verdriet wat mij terugtrok. Nu, bewegend op mijn weg, is dezelfde geschiedenis aanwezig, maar het voelt anders. Alsof ik in een lijn sta en naar voren beweeg. Achter mij is mijn geschiedenis, om mij heen ervaar ik mijn gezin, mijn (Joodse) vrienden en de Joodse gemeente en voor mij is de toekomst. Mijn Joods zijn is veranderd én niet.
Het is niet alleen meer een aantal rituelen dat me verbindt met een ongekend verleden, het is een wereld waar ik deel van uitmaak.

Vanavond heb ik mijn laatste gesprek. Het is een goed gesprek. De rabbijn zegt me dat ik me niet zenuwachtig hoef te maken, dat ik goed ben zoals ik ben!
Zij drukt mij op het hart vooral te genieten van het moment dat ik naar het Beth Din ga. Het Beth Din is de rabbinale rechtbank, de laatste stap in mijn bevestiging.
Daarna het mikwe, het rituele bad en dan ben ik, gewoon, Joods.




Terug naar de inhoud